| W E E R W A T G E L E E R D ! |
De
weerradar is een vernuftig instrument die voor de meteoroloog als een aardig hulpmiddel
dienst kan doen. Het woord radar (eigenlijk een afkorting) staat voor Radio
Detection And Ranging. Eind veertiger jaren werden radars
ook voor weerkundige doeleinden ontwikkeld.
De weerradar bestaat uit een zender en een ontvanger die samen van één antenne gebruikmaakt. Deze antenne is ondergebracht in een koepel van kunststof die de draaiende antenne tegen vuil en al te harde wind beschermt en wordt voor een optimaal ontvangst en onbelemmerde zendmogelijkheid op een zo'n hoog mogelijke en vrijstaande positie geplaatst. Ook in vliegtuigen zit tegenwoordig dikwijls een weerradar die zeker bij buien een uitstekende dienst kan bewijzen. De zender zendt gedurende een korte tijd van ongeveer 2 - 5 microsec. een hoeveelheid radiogolven uit in de vorm van elektromagnetische energie. Per seconde worden dan zo'n 200 tot 300 van die pulsen uitgezonden. Tussen elke twee pulsen in wordt de antenne voor de ontvanger gereserveerd.
De
elektromagnetische energie wordt voor een deel door neerslagbevattende wolken
teruggekaatst, d.w.z. wanneer de neerslagelementen voldoende groot zijn.
De nietige wolkendruppeltjes, meestal kleiner dan 0.1 mm zijn te klein om door
de radar te worden opgepikt. Regen en flinke sneeuwvlokken worden wel goed opgemerkt.
Met motregen heeft de radar meer moeite aangezien de doorsnede van deze druppeltjes
tussen de 0.1 en 0.5 mm varieërt. Druppeltjes van 0.5 mm zullen dan ook eerder
worden opgemerkt dan bijv. motregendruppels van 0.2 mm (uitgaande van dezelfde
afstand tot de radar).
Hoe méér er van de uitgezonden energie wordt teruggekaatst hoe hoger de concentratie
van druppels in de wolk is en hoe hoger de neerslagintensiteit zou kunnen
zijn. Met een bepaalde kleurcode worden die verschillende intensiteiten in het
radarbeeld weergegeven Op het radarbeeld rechts kunt u de verschillende neerslagintensiteiten
zien. Elk geel cijfer correspondeert met een kleurcode. (1) komt overeen met
de witte kleur (zeer lichte regen of motregen). (2, lichtgrijs) is licht (3,
donkergrijs) is matig, (4, rood) matig tot zwaar en (5, donkerrood) is zwaar
tot soms zéér zwaar. Hier is ook te zien dat de provincie Zeeland vrijwel zeker
vrij is van regen.
Wanneer de radarbeelden achter elkaar worden 'geplakt' ontstaat
een animatie die dan een duidelijke weergave geeft hoe in een bepaald
tijdsverloop de ontwikkeling van een neerslaggebied of buien verloopt. Bovendien
kan zo'n loop ook de verplaatsing van deze neerslagecho's laten zien. Ook de
afstand van de neerslag tot de radar heeft een grote invloed. Hoe verder namelijk
de neerslag van de radar weg is, hoe zwakker de neerslagecho zal terugkomen
op het scherm. M.a.w. regen die licht toont aan de rand van het bereik van de
radar kan in werkelijkheid best matige regen zijn. Dit kunt u zelf zien wanneer
de echo dichterbij komt en steeds in intensiteit schijnt toe te nemen terwijl
alleen de steeds kortere afstand tot de radar de oorzaak hiervan kan zijn en
zodat de radar de echo beter oppikt. Natuurlijk kan ook het neerslaggebied activeren.
Oppassen dus met onjuiste conclusies.
De reden van het verlies in de echo heeft vooral te maken met de kromming van
de aarde. De bundel radiogolven planten zich rechtlijnig voort en schieten meestal
op een afstand van ca. 150 km van de radar over de neerslag in de wolk heen
(zie tekening). Alleen goed ontwikkelde buienwolken die hoog genoeg komen in
de troposfeer kunnen nog op een afstand van maximaal 300 km zichtbaar zijn.
Buien komen op de radar vaak als clusters in een soort van vlekkenpatroon over,
neerslaggebieden vaak als brede banden of stroken.
Een ander fenomeen die het radarbeeld behoorlijk kan beïnvloeden is de grondecho. Wanneer er sprake is van een scherpe inversie op niet al te grote hoogte boven het aardoppervlak, blijven de uitgezonden radiogolven a.h.w. gevangen onder die inversie. Een inversie is een laag waar de temperatuur met de hoogte toeneemt i.p.v. afneemt en dit werkt als een isolerende deken. Wat er gebeurt is een vrij uitgebreide en soms sterke echo rondom het radarstation. Bij verkeerde inschatting lijkt dit op een bui met dien verstande dat een grondecho niet beweegt.
In Nederland zijn twee radarsystemen werkzaam, één in Den Helder en één op het KNMI in De Bilt die gezamelijk een overlappend beeld produceren met in totaal een bereik van 300 tot 400 km rondom De Bilt. Naar het noorden en westen toe is het bereik iets groter, naar het zuidoosten en zuiden iets lager. Ieder kwartier wordt een radarbeeld gemaakt waarin behalve de neerslagecho's ook blikseminformatie en de hoogte van wolkentoppen kan worden getoond. De blikseminformatie geeft aan waar de inslagen plaatsvinden met welke frequentie en zelfs wat voor soort ontladingen er voorkomen (van wolk naar wolk of van wolk naar de grond). De grondecho's worden tegenwoordig op de Nederlandse radar vrij goed uitgefilterd. Alleen boven de Noordzee blijven soms wat kleine vlekjes hangen. Dit zijn ook zogenaamde ' valse echo's '.
Een nieuwe techniek is de Dopplerradar die ook de vertikale bewegingen in de wolk kan registreren. Zo kan a.h.w. een driedimensionaal idee van het neerslagpatroon worden gecreëerd. Ook windsnelheden in bijv. buienwolken kunnen zodoende afgeleid worden waar men zeker in de USA bij tornado-onderzoek erg blij mee is.
Heeft u toch nog vragen over de weerradar of de radarbeelden? Stuur rustig een email